‘Lobbblo-boewáá!’

Uiltje Uiver

Toen ik zwanger was had ik het romantische beeld dat ik heerlijk rustig met mijn zacht naar Zwitsal geurende bloedje op schoot in een stoel zou zitten terwijl ik hem mooie en esthetisch verantwoorde kinderboeken zou voorlezen – het prachtige Bij Uil thuis van Arnold Lobel bijvoorbeeld of het geestige Ik zou wel een kindje lusten (dat ik ooit zelf vertaald heb) van Sylviane Donnio en Dorothée de Monfreid. Ook zou mijn zoon alleen spelen met mooi, houten designspeelgoed, want die lelijke plastic meuk met licht en geluid zou mijn huis niet in komen. Het idee alleen al.

De waarheid blijkt echter anders. Mijn zoon is inmiddels anderhalf jaar oud. Het is een echt jongetje: hij is wild, onbesuisd en gooit graag met dingen terwijl hij stoer ‘Tatáááá!’ en ‘Lobbblo-boewáá!’ schreeuwt. Sinds drie weken loopt hij en ik kan hem geen seconde meer uit het oog verliezen, want hij klimt overal op, onder of wurmt zich in onmogelijk krappe ruimtes tussen de kast en de muur. Een van zijn favoriete bezigheden is het – al schaterend – met de afstandsbediening heel hard op het scherm van de televisie slaan. Is ook hi-la-risch natuurlijk.

Na een dagje spelen lijkt mijn leefomgeving meestal op Fukushima, the day after. De huiskamer lijkt wel ontploft en overal liggen bergen speelgoed. Plastic speelgoed. Lelijk speelgoed. Die fantastische houten raketstapeltoren met de vilten schijfjes staat eenzaam en fonkelend nieuw mooi te zijn in een hoekje. Want mijn zoon vindt hem niet leuk. De prachtige houten trein wordt niet aangeraakt. Wat moet je daar ook mee? Dat rode plastic autodashboard met stuur, toeter en zeventien flitsende knopjes en evenzovele schelle tettergeluidjes dat hij voor zijn verjaardag heeft gekregen is pas mooi spul. Als je anderhalf bent.

En samen genietend een boekje lezen? Helaas. Daar heeft meneertje geen geduld voor. Heel af en toe lukt het. Dan grijp ik mijn kans en sla ik Nijntje op de fiets open of pak het fantastische Anton kan toveren erbij. Maar dat blieft hij niet. Morrend rukt hij het uit mijn handen, scheurt er een bladzijde uit (argh, mijn dierbare Nijntje-boek uit 1975!) en gooit het boos op de grond.

Zijn lievelingsboek? Uiltje Uiver, een wanstaltig kartonnen gedrochtje dat ik voor 50 cent bij het Kruidvat heb moeten kopen nadat mijn mannetje het uit het schap had gegrist, erop was beginnen te kauwen en er een kleverige spuuglaag op had achtergelaten.

In het midden van de bladzijden zit een gat met een vingerpopje in de vorm van een uiltje dat je kunt bewegen onder het uitroepen van de briljante tekst: ‘Oehoe, oehoeoeoe!’

Maar ook al moest ik wat overwinnen toen ik voor het eerst ‘voorlas’ uit Uiltje Uiver, de uitdrukking op het gezicht van mijn zoon maakte alles goed. Hij straalde. En als hij nu het boekje ergens ziet liggen tussen de plastic bergen, roept hij met een hoog, schor stemmetje: ‘Oehoe!’ en drukt hij het zachte uiltje tegen zijn gezichtje aan alsof het de liefde van zijn leven is.

Dus lezen we elke avond voor het slapengaan uit Uiltje Uiver.

Geweldig, samen lezen met mijn zoon.

Susan Sandérus

speeltuin 1 speeltuin 2

Advertenties

2 gedachtes over “‘Lobbblo-boewáá!’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s